Sijs
Sijs (Spinus spinus)


Uiterlijk
De sijs wordt ongeveer 12 cm groot. Mannetjes zijn opvallend geelgroen met een zwarte kruin en kin. Vrouwtjes zijn valer en sterker gestreept. Beide geslachten hebben een gevorkte staart en gele vleugelstrepen.
Voedsel
De soort eet vooral zaden van elzen, berken en naaldbomen. Daarnaast worden knoppen en kleine insecten gegeten. In de winter bezoeken sijzen vaak voedertafels, vetbollen en pinda’s in tuinen.
Leefgebied
Tijdens het broedseizoen leeft de sijs vooral in naald- en gemengde bossen met sparren. In de winter komt hij ook voor in parken, tuinen, boerenland en gebieden met veel elzen.
Nestbouw
Het nest wordt hoog in naaldbomen gebouwd en bestaat uit fijne takjes, mos en haar. Het vrouwtje broedt meestal alleen, terwijl het mannetje voedsel aanbrengt. Een legsel bevat meestal vier tot vijf eieren.


Verspreiding
De sijs komt voor in grote delen van Europa en West-Azië, tot in China en Japan. Noordelijke populaties trekken in de winter zuidwaarts richting Zuid-Europa, Noord-Afrika en Azië.
Populatie
De wereldpopulatie wordt geschat op tientallen miljoenen vogels. De soort staat op de Rode Lijst van de IUCN als niet bedreigd, hoewel plaatselijk afnames voorkomen.
Vijanden
De wereldpopulatie wordt geschat op tientallen miljoenen vogels. De soort staat op de Rode Lijst van de IUCN als niet bedreigd, hoewel plaatselijk afnames voorkomen.
Bijzonderheden
Sijzen hangen vaak ondersteboven aan takken of vetbollen, net als mezen. Buiten de broedtijd vormen ze geregeld gemengde groepjes met putters en barmsijzen.
