Kneu
Kneu (Linaria cannabina)


Uiterlijk
De kneu wordt ongeveer 13 tot 14 cm groot. Mannetjes hebben in de broedtijd een karmijnrode borst en voorhoofd. Vrouwtjes zijn bruiner en sterker gestreept. Beide geslachten hebben een slanke bouw, een fijne snavel en witte randen aan de staart.
Voedsel
De kneu wordt ongeveer 13 tot 14 cm groot. Mannetjes hebben in de broedtijd een karmijnrode borst en voorhoofd. Vrouwtjes zijn bruiner en sterker gestreept. Beide geslachten hebben een slanke bouw, een fijne snavel en witte randen aan de staart.
Leefgebied
De soort leeft in open gebieden met struiken, heggen, heidevelden, akkerranden en duinen. Ook jonge bosaanplant en ruige graslanden vormen geschikt leefgebied.
Nestbouw
Het nest wordt laag in struiken, heggen of dichte planten gebouwd. Het bestaat uit gras, worteltjes en mos en wordt van binnen afgewerkt met haren en veren. Het vrouwtje legt meestal vier tot zes eieren.


Verspreiding
De kneu komt voor in grote delen van Europa, Noord-Afrika en West-Azië. In Nederland en België is het een algemene broedvogel, hoewel de aantallen de laatste decennia zijn afgenomen.
Populatie
De soort staat wereldwijd als niet bedreigd op de Rode Lijst van de IUCN. In veel Europese landen is echter sprake van achteruitgang door intensieve landbouw en het verdwijnen van kruidenrijke akkers.
Vijanden
Roofvogels, katten en kraaiachtigen vormen natuurlijke vijanden van de kneu. Vooral nesten en jonge vogels zijn kwetsbaar tijdens de broedtijd.
Bijzonderheden
Kneuen vormen buiten de broedtijd vaak grote groepen samen met andere vinkachtigen. De wetenschappelijke naam cannabina verwijst naar hennepzaden, die vroeger veel door kneuen werden gegeten.
