Keep
Keep (Fringilla montifringilla)


Uiterlijk
De keep wordt ongeveer 14 tot 16 cm groot. Het mannetje heeft een oranje borst en schouders met een donkergrijze tot zwarte kop. Vrouwtjes zijn bruiner en minder opvallend gekleurd. Beide geslachten hebben zwarte vleugels met oranje banden en een opvallende witte stuit.
Voedsel
Het voedsel bestaat vooral uit zaden, beukennootjes, elzenzaad, knoppen, bessen en insecten. Vooral in de winter zijn beukennootjes erg belangrijk. De keep zoekt meestal foeragerend op de grond naar voedsel.
Leefgebied
Het voedsel bestaat vooral uit zaden, beukennootjes, elzenzaad, knoppen, bessen en insecten. Vooral in de winter zijn beukennootjes erg belangrijk. De keep zoekt meestal foeragerend op de grond naar voedsel.
Nestbouw
Het nest wordt in bomen of aan bosranden gebouwd en bestaat uit gras, mos en fijne plantenvezels. Een legsel bevat meestal vier tot zeven blauwachtige eieren met donkere vlekken.


Verspreiding
De keep broedt in Noord-Europa en Azië tot aan Kamtsjatka. In de winter trekt de soort naar Midden- en West-Europa, Noord-Afrika en delen van Azië. In Nederland komt hij vooral voor als doortrekker en wintergast.
Populatie
De wereldpopulatie wordt geschat op ongeveer 120 tot 200 miljoen vogels. De soort staat op de Rode Lijst van de IUCN als niet bedreigd, hoewel de aantallen in sommige gebieden afnemen.
Vijanden
Roofvogels, katten en marterachtigen vormen natuurlijke vijanden van de keep. Vooral jonge vogels en nesten zijn kwetsbaar tijdens de broedtijd.
Bijzonderheden
Kepen kunnen in de winter enorme zwermen vormen van soms duizenden tot miljoenen vogels. Vaak trekken ze samen op met vinken en andere zaadetende zangvogels.
