Geelgors
Geelgors (Emberiza citrinella)


Uiterlijk
De geelgors wordt ongeveer 16 tot 17 cm groot. Het mannetje heeft een felgele kop en onderzijde met bruine strepen. Het vrouwtje is minder opvallend en bruiner van kleur. Beide vogels hebben een roodbruine stuit en witte buitenste staartveren.
Voedsel
De soort leeft vooral van zaden, granen en akkerkruiden. In de broedtijd eten geelgorzen ook insecten en andere kleine ongewervelden, vooral voor de jongen. Voedsel wordt meestal op de grond gezocht.
Leefgebied
De geelgors houdt van halfopen landschappen met heggen, houtwallen, bosranden en ruige bermen. In Nederland komt hij vooral voor in het oosten en noordoosten van het land.
Nestbouw
Het nest wordt meestal laag bij de grond gebouwd tussen struiken, heggen of hoge planten. Het bestaat uit gras, worteltjes en halmen. Een legsel bevat meestal vier tot vijf eieren.


Verspreiding
De geelgors komt voor in grote delen van Europa en Azië. Daarnaast is de soort ingevoerd in Australië en Nieuw-Zeeland. Nederlandse broedvogels blijven meestal in eigen land tijdens de winter.
Populatie
De wereldpopulatie wordt geschat op tientallen miljoenen vogels. De soort staat wereldwijd als niet bedreigd op de Rode Lijst van de IUCN. In Nederland herstelt de populatie zich langzaam na eerdere sterke achteruitgang.
Vijanden
Eieren en jonge vogels worden bedreigd door roofdieren zoals kraaien, marters en roofvogels. Ook het verdwijnen van heggen, houtwallen en bloemrijke akkerranden vormt een groot gevaar voor de soort.
Bijzonderheden
De geelgors is sterk afhankelijk van kleinschalig agrarisch landschap. In de winter verzamelen geelgorzen zich vaak in groepen op voedselrijke akkers en stoppels.
